Recensie: Richard Wagner – Lohengrin (Zürich)

Es gibt ein Glück.’ Het staat als motto op het doek voor het toneel bij aanvang van Wagners Lohengrin in het Opernhaus Zürich. Twee heilige harten zweven tussen aarde en hemel. Het is een citaat uit de tweede akte van de opera: ‘es gibt ein Glück, das ohne Reu.’ Er bestaat geluk, zonder berouw. Hetzelfde beeld is daarna steeds aanwezig als schilderij achterin het decor. Elsa von Brabant put kracht uit het schilderij, het symboliseert haar vertrouwen in het bestaan van een verlossende liefde. De vraag die de opera, en deze productie, opwerpt: is dat wel zo? Kunnen we het ware geluk vinden én vasthouden?

Elsa von Brabant, dochter van de overleden hertog van Brabant, kan wel wat verlossing gebruiken. Graaf Friedrich von Telramund beschuldigt haar van de moord op haar jongere broer zodat zij zelf over Brabant zou kunnen heersen. Door tussenkomst van een mysterieuze zwanenridder wordt zij in een godsgericht vrijgesproken. Die ridder biedt zich aan als echtgenoot, onder voorwaarde dat Elsa nooit zal vragen naar zijn naam of afkomst. Ortrud, echtgenote van Telramund, heeft haar eigen agenda: een terugkeer naar de verering van de heidense goden die zijn verdrongen door het Christendom. Zij overtuigt Telramund ervan dat hij het godsgericht door tovenarij heeft verloren en dat de door God gezonden ridder liegt over zijn ware aard; vandaar zijn gebod. Bij Elsa probeert zij twijfel te zaaien: als haar ridder echt uit een ideale wereld afkomstig is, wat zou hem dan hier houden? Dan zegt Elsa het, om het geloof in haar ridder te onderstrepen: ‘es gibt ein Glück, das ohne Reu.’ Er bestaat geluk zonder twijfel, puur en oprecht. Maar toch groeit de onzekerheid, en uiteindelijk stelt zij toch de verboden vraag. Hij is Lohengrin, gezonden door de Heilige Graal om haar terzijde te staan. Het geluk is ten einde: nu hij zijn identiteit heeft prijsgegeven, moet hij terugkeren naar de Graalburcht, Elsa en de mensen van Brabant in vertwijfeling achterlatend.


© Monika Rittershaus

In essentie is het een sprookjesverhaal, maar Andreas Homoki, regisseur en intendant van het Opernhaus Zürich, plaatst het verhaal in een Beiers dorp in het niet al te verre verleden. We bevinden ons gedurende de hele opera in de rustieke dorpshal, die dienst doet als kroeg, raadskamer en rechtszaal. Houten wanden en meubels, Lederhosen en Dirndls bepalen het toneelbeeld. Homoki probeert hiermee de opera in een soort sociale microkosmos te plaatsen en de thema’s van de opera meer invoelbaar te maken: het dorp als plek waarin politieke en religieuze veranderingen en het effect daarvan op groepsmechanismen als onder een vergrootglas zichtbaar worden. Hij suggereert een gesloten gemeenschap met een duidelijke groepsidentiteit, die weerstand bieden aan veranderingen van buiten. Een duidelijke uiting hiervan is dat de personages die op enig moment ‘uit de groep’ liggen hun karakteristieke kleding ontnomen wordt en in witte onderkleding rondlopen. Dat draagt Elsa als zij terecht staat voor broedermoord, en Lohengrin op het moment dat hij onder de mensen verschijnt. Pas later, zij vrijgesproken van blaam en hij opgenomen in de gemeenschap, dragen zij hun karakteristieke Beierse kleding. Telramund en Ortrud worden uit de gemeenschap gestoten na het godsgericht verloren te hebben: witte onderkleding. En wanneer Elsa in de tweede akte Ortrud in genade in huis neemt, is het symbool daarvan het teruggeven van haar Dirndl. Het is maar een voorbeeld van hoe Homoki zijn visie op de symboliek van de opera zichtbaar maakt in alledaagse details.


© Monika Rittershaus

Bij de première van deze productie enkele jaren geleden kwam het concept het productieteam op luid boegeroep te staan. En toegegeven: de mystieke elementen van de opera komen minder tot hun recht. Homoki zet zijn ‘down to earth’ interpretatie extra aan door tijdens de prelude toneelbeelden te tonen die de voorgeschiedenis van de opera tonen. We zien Elsa en haar jonge broertje Gottfried bij de kist van hun vader, zij in rouw voorovergebogen, hij spelend met een speelgoedzwaan. Telramund benadert haar, maar zij vlucht weg met haar broertje. De tweede scène: een bruiloft. Elsa, in bruidsjurk met boeket, wordt door haar inmiddels jongvolwassen broer naar het altaar geleid waar Telramund wacht. Opnieuw vlucht zij op het laatste moment, haar boeket op de grond gooiend. Ortrud pakt het boeket op en kijkt veelbetekenend naar Telramund. Sommigen zullen die beelden overbodig vinden: de regisseur vult te veel in. Maar het geeft bijvoorbeeld Telramund wel een steviger motivatie voor zijn daden. Het is niet alleen Ortruds manipulatie die hem ertoe aanzet, het komt vooral ook door zijn gekrenkte trots.


© Monika Rittershaus

Homoki lijkt erop gebrand de verhevenheid uit de opera te halen, en te zoeken naar de menselijke kern, naar psychologische spanning. Het altijd problematische aspect van de ridder die arriveert in een door een zwaan getrokken boot wordt hier een plastic miniatuurzwaan die te midden van een bezwerende ronddans van het koor transformeert in Lohengrin. Wil Homoki hiermee suggereren dat de gemeenschap de eigen wonderdoener genereert? Dat Lohengrin niet alleen Elsa’s gedroomde redder is, maar ook een redder van het volk die hen bijstaat in roerige tijden? Het zou goed in het concept passen, want zou Homoki’s gesloten gemeenschap een échte buitenstaander als aanvoerder accepteren?  Daarnaast is het niet de stralende ridder die verschijnt, maar een zwak en breekbaar mens. Pas als Elsa hem haar liefde schenkt wint hij aan kracht; deze Lohengrin heeft de mensen, en specifiek Elsa, net zo hard nodig als zij hem nodig hebben. Het terugbrengen van het drama tot menselijke proporties en emoties werkt op veel punten en roept interessante vragen op. Homoki’s regieconcept beslaat zeker niet alle aspecten van de opera, maar zou dat het doel van een regie moeten zijn? Homoki maakt keuzes, belicht bepaalde aspecten en laat andere voor wat ze zijn, en dat is wat mij betreft goed te verdedigen.


© Monika Rittershaus

Een mooi element in Homoki’s regie is dat Lohengrin zijn gebod om niet te vragen naar zijn naam of afkomst niet van harte stelt. Het is een voorwaarde die ook hem wordt opgelegd: om zijn wonderdaden te verrichten, móet hij onbekend blijven. De ideale wereld waar hij vandaan komt is niet verenigbaar met de alledaagse wereld waarin de mensen leven. Wagner ziet liefde, en wellicht kunst of schoonheid, als een noodzakelijke voorwaarde voor het voortbestaan van de mens, als een verlossende kracht. Tegelijkertijd is die ideale staat van zijn een utopie, nooit daadwerkelijk te bereiken. Maar in plaats van dat als iets negatiefs te zien, kun je het ook positief zien: de utopie als punt op de horizon, als inspiratie. Je kunt dit punt ter morele oriëntatie gebruiken en er stukje bij beetje naar toe bewegen, zonder het ooit daadwerkelijk te bereiken. Misschien moeten we zo het slot van de opera zien. De dood gewaande broer van Elsa, Gottfried, wordt weliswaar aan de gemeenschap teruggegeven, maar zonder de zegeningen van de graal om hem te helpen het volk te verenigen en leiden. Wagner lijkt hiermee dus wel degelijk een mogelijke toekomst te suggereren, alleen is die toekomst open en onzeker. En hoewel we geen zwanenridder hebben om ons te leiden, kunnen we ons door liefde en schoonheid als uitgangspunt te nemen wel degelijk verbeteren. Daarmee krijgen we een dubbelzinnig commentaar op het motto van de voorstelling: het geluk bestaat wel degelijk, maar is misschien nooit volledige te bereiken.


© Monika Rittershaus

Gelukkig viel er ook voor de mensen die niets moeten hebben van Homoki’s aardse interpretatie van Lohengrin veel te genieten in Zürich, want er werd op hoog niveau gezongen en gemusiceerd. Normaal gesproken volgt er altijd slecht nieuws als iemand voordat de opera begint het toneel op komt om een aankondiging te doen: iemand van de cast is ziek en zal óf zo goed en kwaad als het kan toch zingen, óf zal worden vervangen, en dan moet je nog maar afwachten hoe goed de vervanger is. Het laatste was dit keer het geval, maar als die vervanger niemand minder is dan Piotr Beczała, een van de meest gevraagde tenoren ter wereld, heb je weinig reden tot klagen. Hij zong weliswaar in de coulissen terwijl de regisseur de rol op toneel acteerde, maar dat was dan ook het enige minpuntje: wat een gouden stem! Een prachtig lyrisch geluid, stralend en warm, een ideaal geluid voor Lohengrin. Aan volume komt hij nergens te kort: ook in de luidere passages hoeft Beczała nauwelijks te forceren.

De jonge Amerikaanse sopraan Rachel Willis-Sørensen is een ontdekking: ze zingt een pracht van een Elsa. Ze heeft een mooi romig timbre en haar vertolking is diep doorvoeld, vol schakeringen van licht en schaduw. Ze zingt krachtig maar is tegelijkertijd ook kwetsbaar. Elsa is bij haar geen passief, gedwee meisje maar een zelfbewuste vrouw die worstelt met haar situatie. Het duet met Beczała in de derde akte is een hoogtepunt, zowel vocaal als dramatisch. Prachtig hoe ze de groeiende vertwijfeling in haar stem legt, tot ze wanhopig dan toch de Verboden Vraag naar zijn naam en afkomst stelt. Martin Gantner maakt van Telramund, vaak een wat saai personage, een mens van vlees en bloed. Trots, nors, maar ook wat sullig; iemand die denkt de touwtjes in handen te hebben en niet doorheeft dat hij eigenlijk een achterhoedegevecht voert. Hij zingt met indrukwekkende en sonore stem die ook in de hoogte vrij blijft klinken, en heeft een voorbeeldige dictie. Anna Smirnova is een Ortrud op orkaansterkte, twee keer zo hard zingend als alle anderen op het toneel. Met de heftige uitbarstingen van de rol heeft zij geen enkele moeite, maar het gaat bij Ortrud niet alleen om volume. Het is ook een intrigante, die huichelachtig flemend en manipulerend haar doel probeert te bereiken, en in die nuances van de rol was Smirnova iets minder overtuigend. Ook de kleinere rollen worden voorbeeldig gezongen: op zangers wordt in Zürich duidelijk niet bespaard!

Fabio Luisi leidde in de orkestbak de Philharmonia Zürich. In de eerste ijle vioolinzetten moet het orkest zijn vorm nog een beetje vinden, maar al snel laat het zich gelden als een volbloed Wagnerorkest. Luisi geeft een vrij onsentimentele interpretatie van de partituur. Het lukte hem zelfs om de beroemde en wat uitgekauwde bruiloftsmuziek in de derde akte nog enigszins fris te laten klinken en als organisch deel van de opera in plaats van een ‘greatest hit‘ door de muziek licht te houden en niet te vet te onderstrepen. Luisi geeft de lyrische passages de ruimte, maar is ook niet bang om er af en toe flink de vaart in te zetten, vooral in de verschillende koorpassages. Daar raakten dirigent en het prima maar niet altijd even subtiel zingende koor elkaar dan ook af en toe een beetje kwijt, maar Luisi hield daarmee ook de spanning in deze stukken, die soms wat langdradig kunnen zijn, zeker als ze naar de militaristische kant van het spectrum neigen.

—-

Richard Wagner – Lohengrin

16 juli 2017, Opernhaus Zürich

Philharmonia Zürich o.l.v. Fabio Luisi
Regie: Andreas Homoki

Cast:
Heinrich der Vogler – Christof Fischesser
Lohengrin – Piotr Beczała
Elsa von Brabant – Rachel Willis-Sørensen
Friedrich von Telramund – Martin Gantner
Ortrud – Anna Smirnova
Der Herrufen des Königs – Yngve Søberg
Vier brabantiscle Edle – Trystan Llŷr Griffiths, Gyula Rab, Dmytro Kalmuchyn, Stanislav Vorobyov

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *