Recensie: Johann Adolf Hasse – Siroe, re di Persia (Utrecht)

Johann Adolf Hasse: in de 18e eeuw een absolute grootheid, op handen gedragen door publiek en medecomponisten. Componist van meer dan zeventig opera’s, grootmeester van de opera seria, de serieuze variant van de barokopera, die toen ongekend populair was. Na de 18e eeuw werd Hasse vrijwel volledig vergeten. De operahervormingen van Gluck, die de nadruk legde op realistisch drama, maakten korte metten met de operastijl van Hasse, die naturalisme opofferde voor zangkunst en moraal. Hasses idioom was ook nog eens sterk gekoppeld aan de wereld van absolute monarchieën die zwaar onder vuur kwam te liggen.

Hasse schreef zijn opera Siroe, Re di Persia, op een tekst van Pietro Metastasio, in 1733 voor Bologna. Twee van de beroemdste zangers van hun tijd, de castraten Farinelli en Caffarelli, zongen de rollen van de broers Siroe en Medarse die elkaars rivaal voor de troon zijn. In 1763 wilde Hasse de opera opnieuw uitvoeren aan het hof in Dresden, met een compleet nieuwe cast. Hij verving de recitatieven, alle aria’s voor de titelheld, en een groot aantal van de andere aria’s. Het is die tweede versie die bij de Nederlandse Reisopera op de lessenaars staat. Wat opvalt is de rijke en inventieve orkestratie. Aan negentien aria’s voegde Hasse hobo’s, hoorns, fluiten of een combinatie van die instrumenten toe, wat Siroe een uitbundig en gevarieerd klankbeeld geeft. Daarin ligt de kracht van Hasse: ook al is er veel voorspelbaar aan de vorm en structuur van zijn opera’s, de muziek is zo goed dat je je geen moment hoeft te vervelen. Siroe gaat van hoogtepunt naar hoogtepunt, waardoor de bijna drie uur durende opera voorbij lijkt te vliegen.


© Nienke Elenbaas

Dat gold zeker voor de uitvoering van de Reisopera, die liet zien dat de verwaarlozing van Hasse onterecht is. Dirigent George Petrou heeft met wat kundig en smaakvol snoeiwerk het werk tot beheersbare proporties teruggebracht. Er zijn wat recitatieven ingekort en gesneuveld, maar vrijwel alle aria’s zijn behouden. In de barok waren dit soort aanpassingen aan de uitvoeringsomstandigheden overigens volkomen normaal. En met een slimme regie bewijst het gezelschap dat de barokopera ook nu nog kan bekoren en ontroeren. Het is bon ton om de verhalen van barokopera’s af te doen als nodeloos complex (lees hier het verhaal van Siroe), maar de meeste verwikkelingen komen voort uit een behoorlijk overzichtelijk geheel van gevoelens.

Cosroe probeert steeds zijn idee van rechtvaardig koningschap te volgen, maar botst hierin soms met de liefde voor zijn zoon Siroe. Siroe is in zijn inherente gevoel van loyaliteit gevangen tussen de trouw van een zoon aan zijn vader, Cosroe, en de trouw aan een geliefde, Emira. De andere karakters zijn eigenlijk veel monomaner. De drijfveer van Medarse is zijn nietsontziende ambitie, die van Laodice haar liefde (of lust?) voor Siroe. Emira wordt gedreven door wraak en rancune, die maar zelden getemperd wordt door haar gevoelens voor Siroe. Arasse is gedurende de hele opera de enige onveranderlijke steunpilaar voor de titelheld.


© Nienke Elenbaas

Siroe is een geïdealiseerd drama waarin we zien hoe emoties als liefde en afgunst inspelen op morele kwesties als trouw en respect, politieke plicht en deugdzame heerschappij. De schone taak aan regisseur Jakob Peters-Messer om een brug te slaan tussen de stichtelijke de barok en het heden. Zo verlevendigt hij de constante afwisseling van recitatieven, eerder half gesproken dan voluit gezongen en bedoeld om de plot voort te stuwen, en aria’s, de gelegenheid voor de emotionele reactie en reflectie van karakters, af door dansers in te zetten.


© Nienke Elenbaas

Af en toe dossen de karakters zich uit in vol barokornaat, en nemen een karakteristiek gestileerde pose aan: een glimp van de uitvoeringspraktijk van de 18e eeuw. Zo wisselt de regisseur steeds tussen een vorm van hedendaags realisme en het oppervlakkige spel van de barok. Dat komt ook in het decor terug: een typisch oud coulissedecor met barokke sierlijst, met op de achtergrond zwartwit beelden van de recente verwoestingen in het Midden-Oosten.

Peters-Messer lijkt hiermee twee dingen te willen suggereren: het verhaal dat we zien over haat en afgunst is van alle tijden. En misschien nog belangrijker: het is niet zomaar een verhaal.  De verheven wereld die librettist Metastasio ons in zijn tekst voorhoudt, de abstractie van broedertwist en heersermoraal, is in werkelijkheid nooit zonder consequenties. Metastasio beweegt in zijn libretto de karakters misschien achteloos als stukken over een schaakbord, maar van de grillen van individuen zijn talloze echte mensen het slachtoffer.


© Nienke Elenbaas

Los van de regie draait het in een opera als Siroe natuurlijk vooral om de muziek, en in het bijzonder de zang: dat was in de 18e eeuw zo, en dat is nog steeds zo. Als je geen cast hebt die recht kan doen aan de buitengewoon veeleisende en virtuoze partijen die Hasse schreef valt zo’n opera als een kaartenhuis in elkaar. Gelukkig zit ook dat bij deze uitvoering wel snor: de Reisopera heeft een cast bij elkaar gebracht van jonge zangers die zich helemaal geven.

Zang blijft natuurlijk altijd ook een kwestie van persoonlijke smaak, en zijn de dingen die negatief opvallen slechts details in een meer dan geslaagd totaalplaatje. Zo kon ik de elegante verschijning, wendbare stem en het zichtbare zang- en speelplezier van sopraan Myrsini Margariti als Laodice zeer waarderen, maar vond ik haar in de hoogte wat schril klinken. Tenor Juan Sancho als Cosroe, waarschijnlijk de enige van de cast die zijn rol eerder al zong en op cd opnam, krijgt van Hasse wat hondsmoeilijke muziek te zingen, met meteen aan het begin van de opera bijna onmogelijke vocale sprongen. Ook hij gooit zich er vol in, maar zijn tenor mist voor mij wat nuance en klinkt soms wat geknepen. Mezzo Hagar Sharvit is als Emira een echt podiumdier, met smeulende ogen en dito stem. Vooral in de meer ingetogen muziek komt haar warme, wat rokerige geluid prachtig tot zijn recht; in de furieuze uitbarstingen die ook bij haar rol horen komt ze soms net wat volume tekort en dreigt ze overstemd te worden door het orkest. Sopraan Nazan Fikret heeft als Arasse en prachtige stem met een stralende hoogte en zingt de vele versieringen met smaak en gemak. Het is jammer dat juist zij maar twee aria’s te zingen krijgt.

Het is de eeuwige discussie: welke stem doet meer recht aan de hondsmoeilijke partijen voor castraten? Een vrouwelijke mezzo of een countertenor? Mooi dat de Reisopera voor de centrale castraatrollen van Medarse en Siroe ons beide opties laten horen. Mezzo Rachel Kelly is als Medarse in présence en stem in ieder geval mooi androgyn, en weet zowel te imponeren (‘Fra l’orror della tempesta’) als te ontroeren (‘Tu decidi del mio fato’) met een slanke en geconcentreerde maar warme stem. Wie nog steeds vol blijft houden dat countertenors de grote castraatrollen geen recht kunnen doen is het zichzelf verplicht naar Nicholas Tamagna te luisteren. Wat mij betreft allround de beste zanger van de avond, met een krachtig en rijk stemgeluid, en een prettig scherp randje dat voor de nodige dramatiek zorgt. Siroe is misschien in zijn niet aflatende goedheid een dramatisch minder dankbare rol, maar zijn muziek is fantastisch, zoals het pathetische ‘La sorte mia tiranna’ en het energieke ‘Fra dubbi affetti miei’, waarin Tamagna voorbeeldig speelt met coloraturen die hij als bittere en beschuldigende lachsalvo’s laat klinken.

Geweldig dat de Reisopera barokspecialist George Petrou, die Siroe met zijn eigen orkest eerder al speelde, heeft kunnen strikken als dirigent. Hij heeft een enorme dramatische flair en zet vooral de theatraliteit van de muziek geweldig aan. Hij liet het Orkest van het Oosten in miniformaat vlammend en stijlvast spelen; van Jan Willem de Vriend zullen ze ongetwijfeld al het nodige hebben meegekregen van de historische uitvoeringspraktijk, want de typisch felle accenten en strakke klank van een barokensemble klonken alsof ze niet anders gewend zijn. Uit eigen stal had Petrou spelers voor de continuo-instrumenten (klavecimbel, theorbe en cello) meegenomen, die vooral de recitatieven kleurrijk tot leven brachten maar ook het orkest nog een extra authentieke glans meegaven.


© Nienke Elenbaas

Het slot van de opera is een mooie vondst: na de hele opera in lange broek en overhemd te hebben rondgelopen verschijnt ook Siroe nu ten tonele in vol barokkostuum. Zijn laatste, virtuoze aria zingend begint de hele cast aan een formele dans, nog steeds in die sierlijst maar met op de achtergrond geen projectiescherm meer maar een volledig kale bühne. Een voor een haken de karakters af, verwonderd om zich heen kijkend: waar zijn we hier eigenlijk mee bezig? Siroe blijft intussen verbeten zijn coloraturen zingen, alsof hij door pure vocale kracht de wereld wil dwingen te weer worden zoals hij was of zou moeten zijn.

Het gedeconstrueerde einde is zo een mooi commentaar op de gekunsteldheid van de barokopera met zijn verplichte happy end. Een hele opera vol verraad en geweld, en dat lost dan allemaal als sneeuw voor de zon op? Hoe geloofwaardig is dat? De regisseur heeft zo een mooie balans gevonden tussen het muzikaal en dramatisch in zijn waarde laten van het genre en de moderne blik op de conventies van dat genre. De opera seria mag dan een typisch product van zijn tijd zijn, maar op deze manier blijft het genre ook relevant voor de onze.

__

Johann Adolf Hasse – Siroe, re di Persia

4 februari 2018, De Nederlandse Reisopera
Stadsschouwburg Utrecht

Orkest van het Oosten o.l.v. George Petrou
Regie: Jakob Peters-Messer

Cast:
Cosroe – Juan Sancho
Siroe – Nicholas Tamagna
Medarse – Rachel Kelly
Emira – Hagar Sharvit
Laodice – Myrsini Margariti
Arasse – Nazan Fikret

Dansers:
Nicole van den Berg, Stephan Bikker, Nele Deckx, Michael Sastrowitomo

RSS
Follow by Email
Facebook
Twitter
LinkedIn

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *