Recensie: Igor Stravinsky – The Rake’s Progress (Amsterdam)

Wederom een schot in de roos voor De Nationale Opera met deze inventieve productie, fantastisch gezongen en gespeeld. The Rake’s Progress van Igor Stravinsky is een visueel spektakel dat hoofd én hart beroert.

(word count: 1591)

Stravinsky’s The Rake’s Progress, de enige avondvullende opera van de componist, is een van de laatste grote werken in diens neoclassicistische stijl van de componist, en daarvan een absoluut hoogtepunt. Het is ook een opera over opera: Stravinsky had een uitgebreide studie van het genre gemaakt, en in de Rake verwerkt hij de hele operageschiedenis.  Zijn belangrijkste leidsman is Mozart, maar je hoort in de muziek duidelijk inspiratie van Monteverdi tot het Italiaanse belcanto. In de partituur levert hij ironisch – maar liefdevol – muzikaal commentaar op operaconventies. Hij gebruikt traditionele vormen, maar transformeert die door zijn grillige ritmes en onverwachte harmonieën.

Die bewust terugkijkende stijl en het feit dat de opera zo opzichtig geconstrueerd is als commentaar op het genre van de opera zelf zorgt er ook voor dat de Rake een werk is waarin de componist het publiek regelmatig op een zekere emotionele afstand plaatst. Het is geen opera om je zwelgend in te verliezen, al zijn er meer dan genoeg momenten dat de muziek je direct raakt: de slotscène van de opera, voor de moralistische epiloog, waarin Anne afscheid neemt van Tom die in de waan verkeert dat hij Adonis is en zij Venus, is hartverscheurend.

Stravinsky vond in W.H. Auden, zelf een groot operaliefhebber, een ideale librettist, die de kunst verstond om verzen te schrijven die grappig en ontroerend zijn. Het is een slim geconstrueerd libretto: zo verwijst Tom in de beginscène al gekscherend naar de ‘Cyprian queen’ (Venus), die aan het einde in zijn gekte voor hem echt gestalte krijgt in Anne. Regelmatig valt de poëtische schoonheid van de tekst op: een zin als ‘Here has no words for absence or estrangement nor Now a notion of Almost or Too Late’ is toch gewoon pure magie?

De regie van Simon McBurney past wat mij betreft perfect: de dikke knipoog en echte ontroering bestaan hier net als in de tekst en muziek van de opera prachtig zij aan zij.  Het is een regiestijl die me erg aanspreekt: McBurney gaat uit van één sterk basisidee, en voert dat consequent in de hele opera door. Zijn decor bestaat uit een grote witte doos, bespannen met wit papier, waarop projecties de verschillende locaties van de opera tevoorschijn toveren. De doos staat symbool voor de ziel van Tom: aan het begin onaangetast, maar in de loop van de opera steeds meer gehavend.

Het is de Mefisto-achtige Nick Shadow, die Tom aan de hand neemt en kennis laat maken met de verleidingen en de geneugten van de grote stad, die de eerste scheur aanbrengt in het papieren omhulsel om hier zelfverzekerd doorheen te stappen. De eerste kras op Toms ziel is een feit. Aan het einde zijn er nog slechts scheuren en gaten over: de waanzinnige Tom probeert nog vergeefs enkele gaten te dichten. De doos-als-ziel is een simpel idee, maar theatraal o zo doeltreffend.

Maar ook in de details doet McBurney veel mooie dingen. De bovennatuurlijke krachten van Nick Shadow verbeeldt de regisseur inventief: door twee koorzangers in te zetten kan hij zijn stem snel van meerdere kanten laten klinken, en zijn schaduw (uiteraard!) op verschillende plekken projecteren voordat hij zich laat zien. En hij manifesteert zich daadwerkelijk als schaduw/alter ego van Tom, door diens bewegingen en houdingen te imiteren.

De eindeloze carrousel van minnaressen (en minnaars!) in Toms bed geeft op een simpele manier zijn bandeloze leven in Londen weer: het wezenloze, werktuiglijke karakter van zijn zucht naar plezier, zonder onderscheid des persoons, de verveling die daaruit weer voortvloeit en het vervliegen van de tijd komen zo prachtig over het voetlicht. Of de troosteloze delen van Londen waar Anne doorheen zwerft, op zoek naar Tom, waarvan het effect nog extra wordt vergroot door op het toneel een trompettist van het orkest als straatmuzikant de solo te laten spelen. Of de vele geschenken van bewonderaars die Baba oprakelt in het derde tafereel van de tweede akte: die scheuren een voor een het decor door, om te eindigen in een prachtig bont en chaotisch schouwspel. Er zijn te veel voorbeelden van geweldige vondsten om ze allemaal op te noemen.

Sommigen zullen vraagtekens zetten bij de keuze voor een countertenor als Baba the Turk in plaats van de mezzosopraan waarvoor Stravinsky de rol schreef. ‘Dat heeft de componist niet zo bedoeld.’ Nu waren countertenors in Stravinsky’s tijd zeker niet zo alomtegenwoordig als nu, en wellicht had hij het ook vermakelijk gevonden: een man die een vrouw speelt met duidelijk mannelijke eigenschappen. Aangezien zoveel in de Rake ook een commentaar op de operageschiedenis is, zou je Baba ook als een commentaar (met een knipoog) op de vele travestierollen kunnen zien: vrouwen die mannenrollen zingen. Zo bezien is de casting met een countertenor prima te rechtvaardigen. Het moment dat Baba zich voor het eerst laat zien, door een raampje van een limousine uit het decor te scheuren, levert in ieder geval wederom een prachtig toneelbeeld op.

Ook qua bezetting kun je je nauwelijks iets beters wensen. Dat is des te knapper als je de vaak grillige en lastige zangpartijen hoort die Stravinsky voor de karakters schreef. De Amerikaanse tenor Paul Appleby overtuigde mij op alle fronten als Tom Rakewell. Hij heeft een aantrekkelijke stem met een krachtige hoogte en een uitstekende dictie, en weet vocaal vooral veel dynamiek in zijn rol te brengen. Hij is een geloofwaardig naïeve Tom in het begin, maar is ook ontroerend in zijn wanhoop en uiteindelijke waanzin aan het einde van de opera. Hij is zeker geen watje, eerder iets te dom dan goed voor hem is. Hij kan egocentrisch en soms licht agressief zijn, maar ook sympathiek en deerniswekkend genoeg zodat je je als publiek zijn lot toch aantrekt.

De jonge Amerikaanse sopraan Julia Bullock is een verrukkelijke Anne Trulove, met een stralende en warme stem: een en al onschuld en puurheid, maar ook moed en doorzettingsvermogen. Vooral in het begin dreigt ze soms wat overstemd te worden door het orkest, maar op de belangrijke momenten reikt haar prachtige stem hartverscheurend de zaal in en grijpt je moeiteloos bij de strot.

Kyle Ketselsen laat weinig te wensen over als Nick Shadow. Strak in het pak, glimmend haar achterover gekamd, een aktentas aan zijn zijde. Operabooswichten als Shadow, maar bijvoorbeeld ook Iago in Verdi’s Otello, moeten om echt te overtuigen ook aantrekkelijk zijn: dat maakt het des te geloofwaardiger dat mensen als Tom zwichten voor hun charme. Dat doet Ketelsen in deze productie meer dan uitstekend, fysiek en vocaal. Zijn sardonische lach flitst regelmatig samenzweerderig de zaal in, zijn uitvergrote gebaren en bewegingen vermakelijk maar net zo vaak sinister. Zijn donkerfluwelen, krachtige stem lijkt gemaakt voor de rol en kan zowel vleien als sarren.

Baba the Turk, de vrouw met de baard, wordt zoals gezegd gezongen door een countertenor, en aan alles zie en hoor je dat Andrew Watts er ongelooflijk veel plezier in heeft haar te spelen. Het is niet alsof de vocale vereisten van de rol schreeuwen om een vrouwelijke mezzo: Stravinsky schrijft voor de rol veel in de uiteinden van de stem, laag en hoog, en dat komt er bij een countertenor extra lekker benadrukt uit. En ook al neigt de portrettering van Baba door Watts soms naar het groteske en schmierende, er stáát daar wel steeds iemand. Je kunt je ogen er maar moeilijk vanaf houden, en ook daar gaat het om bij Baba; ze is niet voor niets de beroerdste kermisattractie van Londen. David Pittsinger zingt een mooie en kalme vader Trulove, zijn bas-bariton overtuigend vaderlijk en geruststellend.

Als je regelmatig radio-uitzendingen hoort of voorstellingen bezoekt van operahuizen elders ter wereld, dan weet je hoe gelukkig we mogen zijn met het koor van De Nationale Opera: elke keer valt me weer op hoe ongelooflijk goed zij zijn, met een mooi strak maar krachtig geluid in samenzang en sterk in de verschillende solistische bijdragen die in de opera nodig zijn.

De opera vraagt om een dirigent die zich raad weet met de kameleontische partituur. Je moet gevoel hebben voor Stravinsky’s stilistische verwijzingen naar de 17e, 18e en 19e eeuw, maar ook voor zijn eigenzinnige ritmische en  harmonische bewerking van die verwijzingen. Ivor Bolton heeft dat gevoel in overvloed. Eerdere recensies leken te suggereren dat hij juist in die listige ritmes het orkest niet helemaal op een lijn kreeg, maar daar heb ik bij deze uitvoering weinig van gemerkt. Hij weet de verschillende en snel wisselende stemmingen in het stuk prachtig te treffen: kolderieke vrolijkheid, nerveuze spanning en desolate treurnis. Het voortreffelijke Nederlands Kamerorkest levert daarbij een niet onaanzienlijk bijdrage aan het succes van de avond met puntig en waar nodig warm spel.

The Rake’s Progress is een van de meesterwerken van de 20e eeuw. Een beschouwend, vermakelijk, maar zeker ook ontroerend werk waarin je steeds nieuwe dingen kan ontdekken. En De Nationale Opera doet de opera met deze productie absoluut recht. Volgend seizoen herneemt de Nationale Opera McBurney’s al even fantasievolle productie van Mozarts Die Zauberflöte – iets om je als operaliefhebber nu al op te verheugen -maar ik hoop van harte dat we ook deze Rake’s Progress nog eens in Amsterdam op de planken zullen zien.

__

Igor Stravinsky – The Rake’s Progress

19 februari 2018, De Nationale Opera

Nederlands Kamerorkest o.l.v. Ivor Bolton
Regie: Simon McBurney

Cast:
Truelove – David Pittsinger
Anne – Julia Bullock
Tom Rakewell – Paul Appleby
Nick Shadow – Kyle Ketelsen
Mother Goose – Hilary Summers
Baba the Turk – Andrew Watts
Sellem – Alan Oke
Keeper of the Madhouse/Nick Shadow II – Evan Hughes

RSS
Follow by Email
Facebook
Twitter
LinkedIn

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *